Er was eens een egel die elke ochtend naar de rivier liep om water te drinken. Maar telkens als hij zich vooroverboog, schrok hij van zijn eigen spiegelbeeld in het water. Die stekels! Die scherpe punten! Zo lelijk, zo gevaarlijk.
"Niemand zal me ooit aardig vinden," mompelde hij, en hij dronk zo snel mogelijk om maar niet lang naar zichzelf te hoeven kijken.
Op een dag ontmoette hij een oude schildpad bij de rivier.
"Waarom drink je zo haastig?" vroeg de schildpad.
"Ik kan mijn eigen spiegelbeeld niet verdragen," zuchtte de egel. "Kijk naar me! Vol stekels en scherpe kantjes. Wie zou vrienden willen zijn met zoiets als ik?"
De schildpad knikte langzaam. "Aha. En wat denk je dat andere dieren zien als ze naar mij kijken?"
De egel keek naar de schildpad - haar gerimpelde huid, haar trage bewegingen, haar zware schild.
"Ik zie... wijsheid," zei hij verrassend. "En geduld. En kracht."
"Juist," glimlachte de schildpad. "En weet je wat ik zie als ik naar jou kijk?"
De egel schudde zijn hoofd.
"Bescherming. Een hart dat zo waardevol is dat de natuur het heeft omringd met de sterkste verdediging. Stekels die zeggen: 'Hier woont iets dat het waard is om veilig te houden.'"
Die avond, toen de egel weer naar de rivier kwam, boog hij zich langzaam voorover naar het water. Voor het eerst zag hij niet alleen de stekels. Hij zag de zachte snuit, de vriendelijke oogjes, en het hart dat erachter klopte.
En de volgende ochtend ging hij niet meer zo haastig drinken.