Er was eens een egel, klein van stuk maar groot van zorgen. Zijn stekels waren dof geworden van de modder van te veel dagen zonder zon, en zijn pootjes trilden als hij dacht aan alle dingen die hij nog moest doen.
Op een avond, toen de maan slechts een dunne sikkel was en de wind met een zucht tussen de bladeren gleed, vond hij een vuurvlieg. Die was gewond. Zijn licht flakkerde, bijna uit.
En hoewel de egel moe was — zó moe — nam hij de vuurvlieg op z’n rug, tussen zijn stekels, voorzichtig.
"Waarom draag je me?" vroeg de vuurvlieg.
"Ik weet niet of ik het kan," zei de egel. "Maar jij hebt licht. En ik ben het kwijt."
En zo liepen ze samen. Elke stap zwaar, maar verlicht. En toen de dageraad kwam, blonk er licht tussen zijn stekels. Niet van de vuurvlieg, die intussen sliep. Maar van hemzelf.
Hij had het licht niet verloren. Hij droeg het alleen even voor een ander.