De egel kwam bij een huis dat leek te kreunen bij elke windstoot. Daarbinnen hoorde hij het gesis en gepiep van een oude waterketel.
“Ik weet niet hoe lang ik dit nog volhoud,” zuchtte de ketel. “Elke keer wanneer ik warm word, zeggen ze dat ik te veel lawaai maak.”
“Misschien ben je gewoon aan het koken,” zei de egel. “Of aan het leven.”
“Ze verwachten stilte van iets dat gebouwd is om te stomen.”
“Dan moeten ze eens naar mij kijken,” zei de egel, die luidruchtig piepte bij elke stap. “Ik ben gebouwd om te pieken én te pruttelen.”
De ketel dacht na. Daarna blies hij een serene wolk uit, zonder piep. Gewoon stoom.