Er was eens een egel die aan de oever van een beek stond. Aan de overkant groeide klaverzuring, zijn lievelingseten. Maar het water was te diep, te snel.
Elke dag probeerde hij het alleen. Spring harder. Denk slimmer. Wees sterker.
Elke dag kwam hij doorweekt en hongerig thuis.
Op een ochtend zag een bever hem worstelen. "Waarom vraag je geen hulp?"
"Mijn stekels," mompelde de egel. "Ik prik."
De bever knikte. "Mmm. En hoe werkt dat voor je?"
De egel keek hongerig naar de klaverzuring, en dan naar het water. Hij droomde weg bij zijn spiegelbeeld in het water. Die nacht lag hij wakker...
De volgende dag riep de egel om hulp. Zacht eerst, toen luider. Een konijn hoorde hem. Een das. Een vos. Ze bleven op afstand, maar ze luisterden.
"Ik kan takken dragen," zei het konijn.
"Ik kan graven," zei de das.
"Ik ken een ondiepere plek," zei de vos.
Samen bouwden ze een doorgang over het water. De egel raakte niemand aan met zijn stekels, maar zijn woorden raakten wel.
Nu eet hij elke dag klaverzuring. En soms, als hij over de brug loopt, voelt hij hun voetstappen nog in het hout.